Stadia van Cognitieve ontwikkeling volgens Piaget


Er zijn veel verschillende theorieën over de cognitieve ontwikkeling. Een belangrijke naam  binnen deze theorieën is Piaget.  Jean Piaget is een zweedse psycholoog. Volgens Piaget doen kinderen kennis op door het ondernemen van actie. Kennis is het resultaat van direct motorisch gedrag. Piaget gaat ervan uit dat kinderen na hun geboorte vier stadia doorlopen om tot ontwikkeling te komen. De overgang van deze stadia vindt plaats op het moment dat een kind het juiste niveau van fysieke rijping heeft bereikt en relevante ervaringen heeft meegemaakt om van te leren.  In deze blogpost zal ik  de sensomotorische periode (babytijd) en  het preoperationele stadium (peuter en kleutertijd) verder toelichten. 

Foto
Tijdens de cognitieve ontwikkeling van een kind verandert het begrip van wat wel en niet kan in de wereld. Zo is een baby al bezig met de principes door te krijgen die betrekking hebben tot hoe de wereld in elkaar zit. Ze beginnen in de babytijd al aan het construeren van een mentaal begrip van de wereld.

Piaget gelooft dat mentale structuren, die hij schema’s noemt, de bouwstenen zijn van de manier waarop wij de wereld zien. Een denkschema of denkkader is de manier waarop je kennis of nieuwe informatie benaderd. Een baby leert door alles vast te pakken en zintuigelijk te onderzoeken. Een volwassenen doet dat weer op een andere manier, bijvoorbeeld door te kijken naar geschreven tekst. Wanneer een baby geen nieuwe kennis meer opdoet door middel van het zintuigelijk onderzoeken, vindt accommodatie plaats. Hij gaat onderzoeken op welke manier hij het speeltje nog meer kan ontdekken. Hij zal hierbij eerst uitgaan van wat het al ‘’snapt’ en ‘’weet’’. Nieuwe informatie wordt opgenomen wanneer er genoeg verbanden zijn.

Wanneer we onze kennis uitbreiden en organiseren vormen we nieuwe denkschema’s. Om je hierin te ontwikkelen is er volgens Piaget adaptatie nodig. Dit is de eigenschap om zich aan te passen aan de omgeving. Mensen zijn er altijd op uit om betekenis te geven aan dingen waarmee ze in aanraking komen. Dit doen we door middel van assimilatie. Assimilatie is iets nieuws plaatsen binnen wat we al weten en begrijpen van de wereld zoals die bij ons bekend is.

De sensomotorische periode
Dit is het eerste stadium van Piagets theorie. Dit eerste stadium kun je weer verdelen in 6 substadia.

  1. (0-1 maand) Eenvoudige reflexen.  De aangeboren reflexen vormen de kern van het cognitieve leren van een baby.
  2. (1-4 maanden) Eerste gewoonten en primaire circulaire reacties. Baby’s beginnen acties te combineren. Zoals het grijpen en zuigen aan een object tegelijkertijd. Als een object de interesse heeft zal de baby deze handeling vaker herhalen.
  3. (4-8 maanden) Secundaire circulaire reacties. Baby’s beginnen in te spelen op hun omgeving. Baby’s gaan hun stem steeds meer gebruiken en beginnen de geluiden van anderen de imiteren.
  4. (8-12 maanden) Coördinatie van secundaire circulaire reacties.   Baby’s gaan  gebeurtenissen bewuster tot stand  brengen.  Ze combineren verschillende schema’s tot één handeling. Objectpermanentie wordt ontwikkeld.  
  5. (12-18 maanden) Tertiaire circulaire reacties.  Kinderen herhalen prettige activiteiten en voeren mini-experimenten uit om  de gevolgen en consequenties te achterhalen. 
  6. (18-24 maanden) Het begin van denken.  Het vermogen tot mentale representatie en symbolisch denken komt op gang. Baby’s kunnen zich bedenken waar onzichtbare objecten kunnen zijn.  

Het preoperationele stadium
Na de sensomotorische periode volgt het preoperationele stadium. Dit stadium is erg belangrijk binnen het kleuteronderwijs.  Het preoperationele stadium heeft betrekking op de cognitieve ontwikkeling in de peuter en kleutertijd bij kinderen van 2 tot 7 jaar. In de mindmap hieronder vind je verschillende begrippen die belangrijk zijn  tijdens de preoperationele periode.  De begrippen staan hieronder verder toegelicht en worden aangevuld met praktijkvoorbeelden.
Foto

Tijdens deze periode groeit het gebruik van symbolisch denken, ontstaat het vermogen om te redeneren en neemt het gebruik van begrippen toe. Kinderen in deze periode beschikken nog niet voldoende over operaties: georganiseerde, formele en logische denkprocessen. Daardoor kan een kind van deze leeftijd zijn fantasie soms erg letterlijk nemen. Ook het symboolgebruik speelt een belangrijke rol.  Symboolgebruik  is het vermogen om een object te gebruiken wat verwijst naar het fysieke werkelijke object. ​  In het kleuteronderwijs wordt er veel gebruik gemaakt van symbolen, zeker omdat kinderen vaak nog niet kunnen lezen en schrijven.  Symbolen komen terug in de dagplanning, weekplanning,  opdrachten en in de hoeken.  Door de symbolen van de dagplanning kunnen kinderen al een voorstelling maken van de dag.  Ze denken als het ware aan de toekomst, wat later ook weer handig  is om te leren plannen.  Volgens Piaget zijn taal en denken met elkaar verbonden. Het gebruik van taal stelt kinderen in staat niet alleen met het nu bezig te zijn, maar ook in de toekomst te denken. Ze kunnen zich al voorstellingen maken. Volgens Piaget vloeit de taalontwikkeling voort uit de cognitieve vooruitgang van het complexer denken.
 
Centratie is ook een belangrijk begrip tijdens het preoperationele stadium. Centratie is het onvermogen van jonge kinderen om zich op meer dan één aspect te concentreren. Wat je ziet is wat je denkt. Het visuele beeld domineert hun denken wat kan leiden tot onnauwkeurigheden in het denken.  Ik heb dit ook veel terug gezien in de praktijk.  Zo ook tijdens opa en oma dag en de opening van de kinderboekenweek.  Voor de opening was ik verkleed als oma en stond ik bij de ingang van de school om de kinderen te verwelkomen met een versje.  Een kwartier later kwam ik verkleed  de klas in en ging in de kring zitten. Mijn mentor was met de kinderen in gesprek over de kinderboekenweek en ondertussen werd ik door 30 gezichtjes aangestaard.  Ik kwam tot de conclusie dat de meeste kinderen echt dachten dat ik een oma was, en speelde hierop in.  ”Mn gehoorapparaat aanzetten,  rustig en krom lopen”. 15 minuten later ging ik naar de gang en  trok mijn normale kleding aan.  Wanneer ik de klas weer in kwam kwamen kinderen enthousiast naar me toe ”Juf dania! Goedemorgen!”  Sommige hadden dus echt geen idee dat ik  eerder was verkleed als oma.  Dit is een typisch voorbeeld van centratie.  De kinderen uit mijn klas konden zich maar op één ding concentreren, namelijk mijn kostuum. Het besef dat ik altijd al in de klas was ontbreekt, zelfs als ze me eerder die ochtend al zagen rondlopen in de school.  

Ook beschikken kinderen in dit stadium nog niet over conservatie. Conservatie is het inzicht dat kwantiteit niet gerelateerd is aan de opstelling en de uiterlijke verschijningsvorm van objecten. Dit heeft ook invloed op het ruimtelijk inzicht. De neiging tot centratie weerhoudt kinderen te concentreren op relevante kenmerken van de situatie. Kleuters letten vooral op de huidige toestand en niet op transformaties. Zo ziet een kleuter alleen het begin en de eindtoestand zonder het proces goed te kunnen voorstellen. Zo komen we meteen bij het begrip transformatie. Transformatie is het proces waarbij de ene toestand veranderd in de andere. Wanneer een kind meerdere regenwormen tegenkomt in het bos denkt hij dat dit telkens de zelfde is. Maar een volwassene weet dat dit onmogelijk is, omdat een regelworm zich niet zo snel kan verplaatsen. Kinderen hebben moeite met i het inzicht op dit proces. Het proces dat de ene situatie overgaat in de andere. In  de praktijk kwam dit terug in verschillende opdrachten, waaronder de CITO-toets. Bijvoorbeeld door verschillende afbeeldingen van gebeurtenissen in chronologische volgorde te zetten.  Kinderen oefenen hiermee het begrip transformatie, het proces tussen het begin en  de eindsituatie.  

Het egocentrisme is een ander kenmerk van de preoperationele periode. Egocentrisme is het onvermogen om zich te verplaatsen in anderen. Peuters en kleuters begrijpen niet dat andere mensen anders over dingen denken. Egocentrisme kent twee vormen: het gebruik aan besef dat anderen dingen vanuit een ander fysiek perspectief zien, en het onvermogen om zich te realiseren dat andere mensen andere gedachten en gevoelens hebben. Kinderen maken zich geen zorgen over hun non-verbale gedrag en de invloed die dit heeft op anderen. Wanneer een kind een cadeautje krijgt en zijn wenkbrauwen ophaalt, is er niet van bewust dat dit onbeleefd overkomt. Een kind in deze periode is zich dus niet bewust van hoe hij of zij overkomt op anderen.
 Egocentrisme zorgt ook voor een bepaalt gedrag. Peuters en kleuters praten vaak in zichzelf, negeren wat een ander zegt. 
 
Kinderen ontwikkelen in deze periode nieuwe vermogens. Één daarvan is het Intuïtief denken. Intuïtief denken is denken waarin tot uiting komt dat peuters en kleuters primitief redeneren en gretig kennis over de wereld verwerven. Ze hebben vaak niet kloppende verklaringen voor alles wat ze waarnemen. Tussen het vierde en zevende jaar bereikt de nieuwsgierigheid van een kind zijn hoogtepunt. Kinderen proberen voortdurend antwoorden te vinden op veel vragen. Kinderen gedragen zich soms alsof ze deskundig zijn op bepaalde gebieden. Ze zijn er zeker van dat ze het juiste antwoord op een vraag weten. Maar wanneer je doorvraagt zijn ze niet in staat deze redenering te onderbouwen. Het intuïtieve denken bereid kinderen voor op het redeneren in het concreetoperationele stadium.  Je kunt uit veel gebeurtenissen afleiden dat kinderen in deze periode zich al veel bezighouden met redeneren en intuïtief denken.  Er gebeurd van alles in het hoofdje van een kleuter, en het is erg leerzaam en  nuttig om hier als leerkracht meer over te leren.  Ik weet nog dat we  midden in het thema  kapper zaten. Ik had  al kringgesprekken gevoerd met de kinderen over de kapper, en wat die allemaal doet.  

Print Friendly, PDF & Email

Een reactie plaatsen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *