5 weken fulltime leerkracht van groep 1/2


5 weken een kleuterklas overnemen van 31 kinderen, 5 weken fulltime leerkracht met alle zorgen en plichten die daarbij komen kijken, 5 weken met werkdagen van 8 tot soms 6 uur s’avonds, om vervolgens in de weekend de lessen van aankomende week voor te bereiden, het is niet niks. Toch doe ik het met plezier (al moet ik toegeven dat om 6 uur opstaan nooit echt een hobby is geweest, haha) In een kleuterklas is altijd wel iets te doen, hoe goed je voorbereiding ook is, er komen altijd klusjes bij. Zeker in de eerste week is het belangrijk om zoveel mogelijk op orde te krijgen, daar heb je weer profijt van de rest van de blokstage. Zelf merkte ik al snel waar mijn valkuilen zaten. Het lesprogramma zat in het begin nog niet automatisch in mijn hoofd. Ik moest me dus goed aan de planning houden om niet in de problemen te komen met de tijd. De ”to do lijstjes” lagen overal. Van kleine dingen zoals het stoeltje van Jaapie maken tot het voorbereiden van een les, het uittypen van een verslag of het bijwonen van een vergadering. Er was altijd wel wat te doen. Maar wat moet nu eerst? Welke taken hebben prioriteit? En wat kun je allemaal doen om dit te organiseren? In dit verslag lees je over dingen die mij bezighielden tijdens mijn blokstage. Wat ging er nou goed en waar liep ik tegenaan? En wat zijn handige dingen om mee te nemen wanneer ik zelf leerkracht ben van een groep?

Computerkaartjes: Voorheen hebben we gemerkt dat er veel belangstelling was voor de computers tijdens de werkles. Om kinderen ook te motiveren om andere dingen te kiezen, zoals de bouwhoek, schrijven, knutselen, etc. hebben ik computerkaartjes gemaakt. Aan het begin van de week kreeg elk kind 2 computerkaartjes. Wanneer ze tijdens de werkles op de computer wilde, leverde ze eerst een kaartje in bij de leerkracht. Wanneer de kaartjes op waren de leerling niet meer op de computer en moet hij of zij iets anders bedenken om te doen. Kinderen leren hiermee hun activiteiten in te plannen, ze mogen immers maar twee keer per week op de computer. Als ze dus twee keer op één dag gebruik maken van de computer kunnen ze de rest van de week geen spelletjes hierop spelen. Wat ik  wel grappig vond om te zien: sommige jongens hadden computermaatjes. Ze wilde het liefst samen op de computer. Maar dat is natuurlijk lastig, want wat nou als je computermaatje geen kaartje meer over heeft?  Zo kwam ik er een keer achter dat een leerling zijn eigen computer kaartje aan een vriendje had gegeven, zodat ze alsnog samen op de computer konden. Heel lief, maar niet de bedoeling. Dus heb ik namen op de computerkaartjes geschreven.  Kinderen gingen steeds beter plannen en ook overleggen, ”wanneer zullen we op de computer gaan samen? En zullen we dan eerst in de  bouwhoek? Dan  hebben we vanmiddag nog een kaartje over om samen op de computer te gaan?”  

Beloningskaart: Voor een leerling in de klas merkte ik en mijn mentoren al snel dat er behoefte was aan een duidelijke aanpak. Zowel voor het kind als voor de leerkracht. In overleg hebben we besloten om gebruik te maken van een beloningskaart. Het voordeel hiervan is dat je de leerling benaderd vanuit het positieve. Je merkt de positieve handelingen van een leerling op en kan hem hiervoor belonen en complimentjes geven. De beloningskaart is ingedeeld in dagdelen.  Aan het eind van de dag roep je de leerling bij je om te bespreken hoe de ochtend of middag is gegaan. Daarna mag de leerling een smiley tekenen,  blij of boos.  Als het de hele dag goed gaat, mag de leerling ook een stikker plakken. Aan het eind van de week gaat de beloningskaart mee naar huis, zodat ook ouders op de hoogte zijn van hoe het op school gaat.  In het begin vond ik dit nog erg lastig.  Je bent met zoveel dingen bezig en moet zoveel kleine dingen onthouden. Dan waren de kinderen net naar huis, kwam ik terug in het lokaal,  keek ik naar mijn bureau  en dacht ‘ ‘ohnee.. weer vergeten de beloningskaart te bespreken en in te vullen” Wat hielp was om het in de dagplanning op te schrijven. In de loop van de weken ging dit dan ook een stuk beter. Waar ik ook tegenaan liep was het kleuren van de smileys. Wanneer is het goed en wanneer niet? Ik miste een middenweg. Daarom heb ik er nog een smiley bij gezet, voor als het niet goed ging, maar ook niet slecht.  De leerling zelf vond het soms nog lastig om  zijn eigen  gedrag te benoemen en hierop te reflecteren. Ik vroeg altijd: ”hoe vond je zelf dat het ging vanochtend?” Soms keek hij me dan vragend aan en verwachte van mij het antwoord te krijgen. Maar ik vind het juist  belangrijk dat het vanuit de leerling zelf komt. Als het heel slecht was gegaan wist hij dit zelf wel te benoemen.  Wanneer het goed ging kon hij dit wat moeilijker vertellen, en meestal zei ik dan ”Het ging goed vanochtend he? En weetje wat ik extra goed vond van jou? Dat je zo goed hebt geholpen met het opruimen van de bouwhoek!” En dan zei hij ”jaa,” en glunderde. Het is fijn om niet altijd te hoeven mopperen, maar nu meer de nadruk te kunnen leggen op het positieve.

Starten met blok 4 van de vreedzame school: Tijdens mijn blokstage ben ik begonnen met het vierde blok van de vreedzame school, ”we hebben hart voor elkaar”. Elke maandag stond er een les van de vreedzame school op de planning, en daar is een reden voor. Want wanneer je maandag begint met de vreedzame school heb je de rest van de week de kans om terug te grijpen op deze les en praktijkvoorbeelden te benoemen. Tijdens dit blok gingen de lessen van de vreedzame school elke week over een andere emotie. 

Hoe ziet een les van de vreedzame school eruit? De methode maakt veel gebruik van visuele ondersteuning, voornamelijk d.m.v. platen met afbeeldingen erop. Ik begon de les altijd met deze platen. Ik vertelde de kinderen wat ze gingen leren tijdens de les. Vervolgens begon in de les altijd met een startactiviteit. Deze activiteit is bedoeld om de les wat dynamischer te maken en de kinderen een veilig gevoel te geven in de groep. Vaak was dit een spelletje waarbij je een bal moet overgooien en dat de persoon die de bal vangt dan iets mag vertellen, of een woord moet noemen, of een dansje mag doen. Vervolgens gingen we verder met het onderwerp van de les. De eerste les van de vreedzame school ging over de emotie blij. In de kring besprak ik deze emotie met de kinderen. Wat is blij eigenlijk? Wanneer ben je blij? Kun je een voorbeeld noemen? In de methode maken ze bij de kleuters ook gebruik van aap en tijger. Dit zijn twee handpoppen met ieder een eigen karakter, die vaak een verhaaltje naspelen. Soms hebben ze ruzie, of moeten ze leren delen, of troost de een de ander. Het is belangrijk dat deze verhaaltjes aansluiten bij de leef en belevingswereld van de kinderen, zodat de kinderen beter begrijpen wat het onderwerp inhoud in de praktijk. De kinderen vonden dit verhaaltje van aap en tijger altijd erg leuk. Tijdens het verhaaltje was er vaak sprake van een dilemma, waarbij ik de kinderen betrok en vroeg om mee te denken over een oplossing. Wat deed aap? Wat deed tijger? Wie was er boos? En waarom? Wat kon aap of tijger doen? Wie kan ze helpen? Op deze manier waren de kinderen erg betrokken bij de les. Vaak gaf ik de kinderen in de week na de les nog een opdracht. Soms in de vorm van een doe-opdracht of werkblad, maar soms ook een hele praktische opdracht. Bij de les over de emotie boos was de opdracht bijvoorbeeld: Wanneer je ruzie hebt en te boos bent loop je naar het afkoelhoekje en kijk je op het schema wat je moet doen. Voor de kinderen van groep 2 had voor dit blog een gevoelsboekje gemaakt. Elke emotie heeft zijn eigen werkblad waarop de kinderen mogen tekenen wat hun blij, boos of juist verdrietig maakt. Soms kwamen hier echt verbazingwekkend slimme opmerkingen uit voort, vooral als je tijdens de uitvoering van deze opdracht met de kinderen in gesprek gaat over hun tekening. 

DSCN3185
DSCN3179
DSCN3173
DSCN3175

Ontwikkelingsweek: De eerste week van mijn blokstage viel meteen na de kerstvakantie. We begonnen met een ontwikkelingsweek. Dit is een week waarin er nog geen thema centraal staat, maar de focus vooral ligt op het werken met ontwikkelingsmaterialen. In onze klas hebben we er namelijk kasten mee vol staan, maar nog lang niet alles wordt gebruikt door de leerlingen. Daarbij is er materiaal te vinden op veel verschillende niveaus, wat dus ook erg verschild per groep of leerling. In de eerste week van de blokstage heb ik in de grote en kleine kring een uitleg gegeven over ontwikkelingsmaterialen die ik wel interessant vond. Deze puzzels en werkjes hebben we samen in de grote kring gemaakt, zodat alle leerlingen wisten wat de bedoeling was van het werkje. Gedurende de week heb ik een lijstje bijgehouden en was het mijn doel om iedere leerling een keer aan het werk te zetten met ontwikkelingsmaterialen. (en het liefst nog vaker) Voordat de dag begon zette ik deze puzzels en werkjes al klaar en had ik al in gedachten welke kinderen dit gingen doen. Tijdens de werkles werden deze leerlingen dan eerst hierbij ingedeeld. Maar welke leerling maakt nou welke puzzel? Er is namelijk zoveel keus. Wel vond ik het heel belangrijk dat de opdracht voor iedereen uitdagend was. Als ik wist dat een bepaalde leerling juist moeite had met mondelinge taalvaardigheid, gaf ik die leerling juist expres een opdracht om dat te oefenen. Soms met een leerling die dit ook lastig vond, zodat ze beiden op hetzelfde niveau zaten, en soms juist expres met een leerling die dit al erg goed kon, zodat hij de ander kon helpen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Start van een nieuw thema: In de tweede week van mijn blokstage ben ik gestart met een nieuw thema waar ik de overige 4 weken mee aan de slag ben gegaan. Dit vergt wel voorbereiding, vooral omdat ik het thema met de kinderen heb gekozen. Voor mijn blokstage ben ik zelf gaan brainstormen over mogelijke thema’s. Hiervan heb ik er 4  gekozen.

Tijdens de ontwikkelingsweek heb ik samen met de kinderen zitten brainstormen over het onderwerp waarbij de kinderen mochten stemmen. Uiteindelijk kreeg thema bakker de meeste stemmen en ben ik dit thema verder gaan uitwerken in overleg met mijn mentoren. Wat ik nog wel erg lastig vond hieraan was dat het toch meer voorbereidingstijd koste dan ik van tevoren had ingeschat. Vooral omdat de eerste week voor mij even wennen was, en de alledaagse zaken in de klas me veel tijd en energie kostte. Achteraf had ik het thema dan liever zelf gekozen en voorbereid voor ik aan de stage begon, zodat ik tijdens de stage meer rust en tijd zou hebben voor overige dingen. Ik had wel genoeg ideeën voor het thema. Op internet heb ik gezocht naar leuke opdrachten en ook op pinterest was er genoeg te vinden. Ik heb me laten inspireren door deze ideeën en hiervan een docentenhandleiding ontworpen en deze lessen uitgevoerd. 

Cito-toets groep 2: De kleuters van groep 2 maken één keer per jaar een cito toets. Op deze manier krijgt de leerkracht een beter beeld van het niveau van de leerling. Ook kun je als leerkracht goed zien of een leerling toetsbaar is, dus of het kind zelfstandig te toets kan maken, stil kan zitten, niet overal vragen over stelt en begrijpt dat je een toets alleen moet doen. Dit was dan ook de eerste keer dat de kinderen een toets maakte. Veel vonden het erg spannend of hadden er juist zin in. ”Een echte toets, net zoals in groep 3”. Omdat het de eerste keer was dat de leerlingen een toets gingen maken, ben ik eerst met de kinderen gaan oefenen. In de kring heb ik een voorbeeldtoets met groep 2 besproken. Wat staat er allemaal op? Waar moet je het antwoord invullen? De kinderen kregen ook een groene strook, die ze tijdens de toets net zo konden gebruiken als een leesstrook. Zo voorkom je dat ze alle antwoorden in de verkeerde volgorde en bij de verkeerde opdrachten invullen. Ook dit moest allemaal worden aangeleerd. Na de instructies in de kring ben ik tijdens de werkles aan de slag gegaan met groepjes kinderen. Omdat ik de toets moest voorlezen was het belangrijk dat de rest van de klas aan het werk was.

Bij het afnemen van de Cito kwam er een hele organisatie aan te pas. Er moest een toetsrooster gemaakt worden, omdat de andere kleuterklassen ook de toetsen moesten afnemen. Het enige toets-moment was tijdens het buitenspelen, omdat er dan één leerkracht buiten op de kinderen kon letten, en de andere leerkracht kon toetsen. Dit vergt ook veel overleg met collega’s, maar dit ging eigenlijk wel goed. Ook moest je erg flexibel zijn en je aanpassen, want soms zat het weer niet mee en konden de kinderen niet naar buiten, en verviel het toetsmomentje. Tijdens het afnemen van de toets werkte ik met groepjes van 5-6 leerlingen. De groepjes had ik zelf samengesteld. In elk groepje zaten een paar sterke leerlingen waarvan ik wist dat ze de toets grotendeels zelfstandig konden maken, en vaak één zwakke leerling zodat ik die wat meer begeleiding kon geven. Tijdens het afnemen van de toets merkte ik wel grote verschillen. Sommige kinderen vonden het heel moeilijk om niet te praten tijdens de toets, gingen naar de wc of keken bij elkaar af. Terwijl andere kinderen juist heel goed begrepen wat een toets inhield.

Print Friendly, PDF & Email

Een reactie plaatsen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *